Schaakcolumns

Hans Akkersdijk laat zijn licht schijnen over schaakgerelateerde (rand)zaken.

nr.3, 2-3-2019

Lizet Borowski vertelde me recentelijk een verhaal over een vroegere kennis van haar. Zij kende hem van haar schaakclub, toen ze nog in Polen woonde. Deze Mikolaj was rechercheur in Warschau.

Het verhaal ging als volgt.

Moordgelegenheid. Moordmotief. Moordwapen.

De jonge rechercheur, Mikolaj, wreef over zijn ogen. Buiten was het koud. Hier was het warm. Hij was moe. Doodmoe. Zijn moeder had gezegd dat dat normaal was. “Alle jonge ouders zijn moe. Baby’s houden geen rekening met het werk van hun ouders. Die willen verzorgd worden. Altijd. Ook midden in de nacht.”

Hij had gestameld: “Maar zo’n kind kan toch ook wel eens dóórslapen?”

“Dat kan nog wel even duren, hoor,” had zijn moeder gewaarschuwd.  “Soms duurt het weken, soms wel maanden, voordat een baby doorslaapt.”

De rechercheur, de goede kennis van Lizet, die ze op de 64 velden al een paar maal verslagen had was slechts dertig jaar, maar hij voelde zich tachtig.

Hij wilde maar één ding. Slapen. Het liefst twaalf uur onafgebroken doorslapen. Zijn vrouw had na de geboorte van zijn kleine een syndroom. Het HELLP syndroom. Hij had er nog nooit van gehoord. Moest er over gaan lezen, maar hij had het zo druk gehad met de aan de gang zijnde onderwereldoorlog dat hij, aan het zich verdiepen in dat vreemde syndroom nauwelijks was toegekomen.

Het was echter wel duidelijk dat hij er wat de kleine betreft voorlopig bijna alleen voor stond.

Zijn collega van de forensische dienst en de dokter liepen naar hem toe. Van de laatste wist hij nog vaag de naam. Dariusz. Of Darek? Nee, Dariusz.

De dokter leek al net zo moe als hijzelf was. Hoewel hij toch ook nog vrij jong was, een paar jaartjes ouder dan Mikolaj zelf, had de dokter er ook wel eens frisser en fruitiger uitgezien.

Mikolaj keek hem onderzoekend aan.

“Huilbaby,” mompelde de arts. “Nu al drie weken lang. Ik word er gek van. Gelukkig kan Halina me goed helpen. We zijn zogezegd, óm de beurt, áán de beurt. Maar dan nog. Ik ben gebroken. Kapot.”

“Ik weet er alles van,” verzuchtte Mikolaj. “Weliswaar geen huilbaby, maar … Mijn vrouw heeft het HELLP syndroom. Daar weet jij als arts natuurlijk alles van.”

“Het helpsyndroom? Sorry, nog nooit van gehoord.”

“Huh, en jij bent arts!”

“Tsja eh, ik kan niet alles weten.”

Lukasz, van de forensische dienst schraapte zijn keel. “Zullen we het even over de zaak hebben?”

Beschaamd keken de twee jonge vaders elkaar aan. “Ja sorry, natuurlijk, ga je gang.”

“Dat het moord is, is wel duidelijk. Een steekwapen. Recht in het hart. De twee die in de sauna waren lijken me onderwereldfiguren.”

Lukasz keek vertwijfeld. “Die ene is dood. Dus moet die ander de dader zijn. Klaar als een klontje zou je zeggen. Als we de bekende drie onderdelen nalopen, moordgelegenheid, moordmotief en moordwapen zitten we wat de eerste twee geramd. Die met die volledig getatoeëerde arm had de gelegenheid. Het motief ligt waarschijnlijk ergens bij de onderwereldoorlog, maar het wapen is het grote probleem. Het moet een soort priem zijn. Maar het enige wat we in de sauna hebben gevonden waren een handdoek, een telefoon en een lege thermosfles. De eigenaar liep toevallig langs de sauna voordat onze tattoo weg kon glippen. Keek door het raampje. Vertrouwde het niet. Heeft de sauna gebarricadeerd en ons gebeld.”

 “En het moordwapen is niet in de sauna aangetroffen?” vroeg Mikolaj.

“We hebben in alle hoeken en gaatjes bekeken. Honderd procent zeker. Geen steekwapen te vinden.”

“Kan die tattoo het wapen niet onder zijn handdoek verborgen hebben gehad?”

“Onmogelijk. Toen hij uit de sauna kwam heeft hij zijn handdoek voor de agent op de grond laten vallen en stond daarna piemelnaakt voor hem met alleen zijn telefoon in zijn hand. Te grinniken.”

“Te grinniken?”

“Erg onder de indruk was hij in ieder geval niet.”

“Een flinke priem zei je?”

“Wat zeg je nou?!”

“Het moordwapen! Een flinke priem? Dat zei je toch?

“Oh, sorry ik verstond je verkeerd. Eh ja, ja inderdaad, dat lijkt me wel, ja.”

“Verborgen in zijn achterwerk, misschien?”

“Is gecontroleerd,” merkte de dokter op. Hij schudde zijn hoofd.

“En verder is er absoluut geen ander in de sauna geweest?”

“Volgens de eigenaar niet. Die was de hele tijd bezig met het repareren van een stopcontact op de gang en weet zeker dat er niemand anders in of uit de sauna is gegaan.”

“De thermosfles zelf?”

“Veel te dik.”

“Is het niet vreemd om een thermosfles mee te nemen naar een sauna?”

“Ach, je verliest veel vocht. Dus is drinken meenemen nog niet zo’n slecht idee.”

“Ik begrijp dat die tattoo geen woord zegt. Hebben we al een identiteit van die vent?”

“Als het een iemand uit de buurt van Warschau is zal hij wel ergens in de computer zitten.”

“ Verstaat íe überhaupt wel Pools? Is het geen Rus of zo?

“Onduidelijk.”

“Het moordwapen blijft dus het grote probleem,“ gaapte Mikolaj. “De waarschijnlijke dader zegt geen woord. En zonder moordwapen wordt het een moeilijke zaak.”

“Vinden jullie het goed als we buiten verder praten,“ vroeg Dariusz, “het is hier in het hele complex bloedheet. Dat is toch niet normaal!”

“Ik weet het niet. Mensen lopen hier met alleen maar een handdoekje om of met een badjas aan. Logisch dat het hier flink wordt opgestookt.”

“Een badjas! Had die tattoo niet een badjas?”

“Nee, alleen maar een enorm groot badlaken. Dat ‘ie dus liet vallen op het moment dat hij voor die agent uit de sauna stapte.”

“Kan het mes niet onder dat badlaken liggen?”

“Nee, ook al gecontroleerd. Geen mes. Geen dolk. Geen schroevendraaier. Niets.”

Dariusz moest gapen. “Frisse lucht! Kom we stappen even naar buiten.”

“Buiten vriest het dat het kraakt. Weet je zeker dat je een luchtje wil scheppen?”

“Kom Mikolaj, niet zeuren. Even een frisse neus halen.”

Een minuut later stonden ze naast elkaar. De zon stond zo vroeg in het jaar laag. Beide jonge vaders haalden tegelijk diep adem. Beiden sloten ze hun ogen. Beiden openden ze ze ook weer tegelijkertijd. Beiden zagen ze hoe de zon prachtig scheen door de grote ijspegels die aan het afdakje hingen.


nr.2, 6-2-2019.

Tijdnood?

Jaren geleden speelde ik met een naamgenoot bij schaakvereniging Landsmeer. Mijn vriend Hans was een redelijk goede schaker, maar blonk vooral uit in snelschaken. Voor het goede begrip moet ik ook melden dat hij nogal een flierefluiter was. Hij nam de dingen niet zo serieus. Op een dag moesten wij ergens extern spelen en Hans was weer eens in geen velden of wegen te bekennen. Zijn tegenstander, een man met een baard en twee(!) staartjes in zijn haar, speelde met wit, had e4 gespeeld en de klok ingedrukt. In die tijd was de speeltijd anderhalf uur per speler. De analoge klok werd op een half uur voor heel gezet (bij voorbeeld op half vijf) en als de vlag de eerste keer gevallen was dan was er een half uur voorbij. Als de vlag een uur later nog een keer viel was het onverbiddelijk voorbij. De Fischer-regel, per zet 15 seconden erbij, bestond nog niet.
In de grote zaal stonden de tafeltjes met op elk tafeltje een schaakbord nogal ver van elkaar.
Er werd door meerdere spelers van Landsmeer flink gemopperd. “Nou dat is een lekker begin! Staan we gelijk al met één nul achter!” Ik probeerde de gemoederen enigszins te bedaren met opmerkingen als “hij komt heus nog wel” en “misschien heeft hij moeite om het te vinden,” maar tegelijkertijd vloekte ik binnensmonds. 
Tien minuten gingen voorbij. 
Een kwartier. 
Let wel, dit speelde allemaal ver voor het tijdperk van de mobieltjes. 
De analoge klok tikte driftig verder. Duidelijk was dat als de eerste zet, in dit geval van zwart, niet binnen een half uur gespeeld werd de partij automatisch verloren zou zijn. Vijf en twintig minuten nadat zijn klok was ingedrukt kwam Hans doodgemoedereerd binnenwandelen. Een paar spelers van Landsmeer sisten hem toe dat hij als de wiedeweerga naar zijn bord moest gaan om een zet te spelen en direct zijn klok in te drukken. Hans echter liep op z’n dooie akkertje naar zijn tegenstander, schudde hem de hand, stelde zich voor en keek uiterst kort naar de precieze stand van zijn klok. Daarop meldde hij dat hij even naar de bar zou gaan om een thee te bestellen.  De tegenstander keek hem verbouwereerd na. Hij checkte met zijn gezicht zowat “in” de klok of het half uur nog niet voorbij was, maar moest constateren dat er nog één minuut te gaan was. De vlag hing al bijna horizontaal. Mijn vriend Hans kwam terug, speelde een zet en drukte de klok in.
Bij “staartjes” kwam de rook uit zijn oren.
Om mij heen hoorde ik enige Landsmeerders mopperen. “Een half uur achterstand!  Dat gaat ‘ie nooit meer redden! Lekker hoor, zo’n speler in je team!”
Tien minuten later wandelde Hans wat rond om eens bij de andere borden te kijken. Een speler van Landsmeer kon zich niet bedwingen en morde hardop: “Ga naar je bord man! Speel! En probeer wat tijd in te halen!”
Het curieuze antwoord van mijn vriend was: “Ach, dat heeft geen zin.”
“Nee hè! Verloren?!”
Hans zei niets, maar wees slechts naar Baard Staartjes.
Even verderop zat een gebroken man vertwijfeld naar een schaakbord te staren. Naast een baard en een staartje had hij opeens ook wallen onder zijn ogen en een gerimpeld gezicht. Hij bleef maar naar de eindstelling kijken en kon het schudden van zijn hoofd niet stoppen.

In tien minuten weggevaagd.

In tien minuten tien jaar ouder.

nr. 1, 22-1-2019

Tsja … De Volewijckers.

Wat een raar cluppie is dat.

Hebben rustig een voetbalwedstrijd opstaan gedurende de schaakavond. Verscheidene schakers zeggen tijdens zo’n Champions League avond regelmatig “even kijken hoe Ajax het doet”. En lopen weg van het bord. Geen probleem.

Dan is er een aristocraat die schuine moppen debiteert. Er wordt gelachen of commentaar geleverd en … iedereen schaakt weer door.

Ook Catweazle die altijd en overal een complot in ziet is van de partij en voorziet zijn eigen zetten regelmatig van het predicaat “geniaal!” Dat er daarna door een blunder alsnog verloren wordt is een bijzaak.

Zorg er wel voor dat je, als je een patatje besteld hebt, ver weg zit van de belastingman. Anders is je frietje niet veilig.

En dan is daar de plat Amsterdams-Sprekende. Hij heeft een offer in de aanbieding en bijt zijn tegenstander toe “Pak ‘m dan! Je ken ‘m pakke! Pak ‘m dan!”

Zijn broer die Goliath bevecht zwaait tegenwoordig de scepter over het zooitje dat zich “De Volewijckers” noemt.

De in dit rariteitenkabinet ondergedoken ex-spionne uit het oostblok komt soms venijnig uit de hoek evenals de door haar geronselde nieuwkomers die De Volewijckers zijn komen versterken.

Kijk daar loopt de speler die steevast op de dertiende zet remise aanbiedt. En even verderop de man die vindt dat “gezet is gezet” niet voor hem geldt. Ook zie ik daar de zeer oude bereisde heer die mijn hart gestolen heeft toen hij een beginnend schakertje liet winnen. Jammer dat hij wijn moet drinken die hij enigszins vies vindt. (Voor een volgende column zal ik hem eens interviewen.)

Wie zit daar in tijdnood? Hij staat schaak en kan maar één zet doen. Toch gaat hij 16 minuten nadenken om daarna die ene zet te doen! Later staat hij in het eindspel beter en … gaat door zijn vlag!

Veel te weinig zien we helaas de sterke spelers van het eerste team die zich vooral (soms bijna uitsluitend) laten zien bij de externe competitie. Jammer, want als ze allemaal zouden komen dan hebben ze onderling toch voldoende tegenstand. Dan zouden we ook de immer uiterst vreemd uitgedoste speler kunnen zien met zijn camouflage pak, zijn kettingen en zijn vliegeniersbril.

Nieuwkomer Streuvels speelt voorlopig nog beter gitaar dan schaak. Maar ja, hij speelt dan ook waanzinnig goed op dat instrument. Beter gitaar spelen dan schaken. Het is wat! Hij is een oude bekende van degene die beter schrijft dan schaakt. Maar … voor het schrijven van een column is dát wel handig.

We gaan het zien!