Schaakcolumns

Hans Akkersdijk laat zijn licht schijnen over schaakgerelateerde (rand)zaken.

nr.10, 4-12-2019

“Hoogmoed komt voor de val”.

Een schaker met dezelfde achternaam als een vroegere Amerikaanse wereldkampioen, zat voor zijn wedstrijd wat te praten met zijn tegenstander bij een externe wedstrijd. Zijn opponent van die avond was een onaangename, arrogante vent. Toen de schaker van De Volewijckers hem vertelde dat hij buschauffeur was gaf hij als commentaar: “Jezus! Had je niet een normaal beroep kunnen kiezen. Buschauffeur?! Dat stelt toch helemaal niets voor! Ik! Ja … “ik” zit in de gemeenteraad van Amsterdam. Kijk … dan bén je iemand!”
De partij daarna ontwikkelde zich niet gunstig voor de schaker van De Volewijckers. Hij stond op het punt om zijn partij op te geven. Hij keek naar de zelfvoldane kop van zijn tegenstander en vroeg: “Weet je, soms ben ik ’s avonds hartstikke moe. Dan moet ik toch de bus nog terug rijden naar de … de…eh. Hoe heet het ook weer?”
“Remise?!, brieste de arrogante kerel.
De Volewijcker stak zijn hand uit. “Geaccepteerd!”

nr.9, 13-11-2019

“Denk niet wit, denk niet zwart
Denk niet zwart-wit,
Maar in de kleur van je hart.”
Frank Boeijen (uitgebracht in 1984)

Een oude blanke man en een Surinamer zitten te schaken op een bankje in een park.
Een klein jongetje loopt naar hen toe.
Hij blijft voor het bankje staan en kijkt naar het tweetal.
Dan vraagt hij aan de oude man: “Bent u Sinterklaas?”
De oude man moet lachen. “Nee, sorry dat ben ik niet.”
“Maar u heeft wel een witte baard!”
“Ja, dat klopt, knikt de oude man.”
“En u bent ook oud …toch?”
“Helaas ja, ook dat is waar,” beaamt de man.
“Bent u wel rijk? Net als Sinterklaas?” vraagt het jochie.
“Ach, arm ben ik niet, maar zo rijk als Sinterklaas … nee, dat niet.”
“Sinterklaas is héél rijk,” stelt het knaapje kordaat.
“Als hij voor alle kindertjes cadeautjes kan kopen, dan moet dat haast wel, denk je niet?” vraagt de oude man.
Het jongetje zwijgt even.
Met enige hoop in zijn stem prevelt hij “Bent u écht niet Sinterklaas?”
“Heb ik een mijter op mijn hoofd?”
“Een wát?”
“Zo’n hoed met zo’n punt.”
Het jongetje schudt zijn hoofd.
“Heb ik een tabbert aan?”
“Wat is dat nou weer?” giechelt de kleine.
“Zo’n rooie mantel, weet je wel?”
De kleine schudt weer zijn hoofd.”
“En een staf … zo’n stok met een krul?”
Wéér schudt het jochie zijn hoofd.
“Zie jij hier een groot boek liggen, waar van alles in staat?”
De kleine kijkt naar het schaakbord. “Nee.”
“En zie jij hier ergens een wit paard?”
Het kindje kijkt om zich heen en kijkt dan weer naar de oude.
Nu gaat zijn blik hoopvol naar de Surinamer. Zijn hoofd houdt hij schuin. Hij kijkt onderzoekend. “Bent u wél een zwarte Piet?”
De Surinamer glimlacht naar de kleine. “Nee, dat ben ik niet.”
De kleine kijkt nog eens. “Maar u lijkt wel een béétje op een Zwarte Piet.”
“Dat kan. Mijn ouders zijn geboren in een héél ver land.”
“Ik ben op vakantie ook naar een héél ver land geweest. Wijsneuzig voegt hij er aan toe: “Frankrijk!”
De Surinamer moet lachen. “Waar mijn ouders geboren zijn is nog véél verder. Aan de andere kant van de oceaan. Weet je wat een oceaan is?”
Het kereltje schudt zijn hoofd.
“Een heel grote zee,” legt de Surinamer uit.
Het ventje lijkt onder de indruk. Met spijt in zijn stem herhaalt hij nog maar eens: “Dus u bent geen Zwarte Piet?”
De Surinamer wijst op zijn spijkerbroek. “Heb ik een pofbroek aan? “
Nee, schudt de 5-jarige.
“Heb ik zo’n mooie gekleurde baret op mijn hoofd?”
Het jongetje weet niet wat een baret is, maar schudt toch van nee.
“Heb ik een maillot aan?”
Dat woord kent hij! Want hij heeft een kleiner zusje. “Nee,” zegt ‘ie.
“Heb ik van die mooie grote gouden ringen in mijn oren?”, vervolgt de Surinamer. “En van die hele felle rode lippen? En draag ik van die gekleurde handschoenen?”
Het ventje kijkt nog eens goed. En schudt zijn hoofd maar weer eens.
Dan komt hij met een vraag. “Kunt u wel goed trompet spelen of kunsten uithalen?!”
Beide mannen moeten lachen.
De Surinamer antwoordt: “Ik kon tot een paar jaar geleden nog wel heel aardig voetballen. En ik speel gitaar in een band. Geldt dat ook?”
“Ik wil later ook gitaar leren spelen!,” antwoordt het ventje enthousiast.
De Surinamer kijkt blij naar het jongetje en zegt: “Als je het een beetje geleerd hebt kunnen we misschien wel een keer samen spelen?”
De ogen van de kleine worden groot. Eindelijk kan hij een keer voluit “ja” knikken.
Dan zegt hij tegen de oude man : “Dag meneer!”
En tegen de Surinamer: “Dag meneer!”
Nog even draalt hij en dan draait hij zich om en huppelt weg.


nr. 8, 1-11-2019

“Surprise!”

Eén van zijn goede voornemens was om in 2019 wat spontaner te zijn. En nu deed zich gelijk al een mogelijkheid voor.

Hij had wel wat eerder moeten opstaan. Dat wel.
Maar daardoor had hij toch maar mooi de trein gehaald van 8 over 8.
Dat hij daarna in de stad meer dan een kwartier had moeten wachten op de juiste bus had zijn uitstekende humeur een kleine dip gegeven. Daarna was bovendien de logica van het stratenplan van de nieuwbouwwijk ver te zoeken geweest, maar nu stond hij dan toch voor het huis van zijn oude schaakvriend. Jaren geleden waren ze beiden lid geweest van “De Volewijckers”. Daarvoor hadden ze op dezelfde middelbare school gezeten en hadden zelfs samen aan schoolkampioenschappen meegedaan.
Zijn oude schaakvriend. Hij had hem gisteravond, na jaren van “geen contact”, aan de telefoon gehad. Ze hadden met elkaar gesproken alsof ze elkaar al die dagen, weken, jaren, dagelijks gezien hadden. Zo vanzelfsprekend. Zo gemakkelijk.
Alsof ze weer op de middelbare school zaten.
Ongelooflijk.
Toen het duidelijk werd dat zijn oude schoolmakker, net als hij, alleen op de eerste drie dagen van de week op kantoor werkte en bovendien opmerkte dat hij de volgende dag een thuiswerkdag zou hebben was het idee van een “surprise-visit” bij hem opgekomen.
Alleen jammer dat die vriend nou net bij hém voor de deur stond omdat hij hetzelfde idee had gehad.

                                                                       -0-0-0-0-

nr. 7, 24-9-2019

Van de regen in de drup

Een beetje vreemd bijbaantje had Tigran het aanvankelijk wel gevonden. Maar bij het studenten-uitzendbureau hadden ze hem verzekerd dat er vaker studenten waren die dit baantje ‘erbij deden’.

Vrienden van de schaakclub “De Volewijckers” hadden de nieuwe, part-time, doodgraver gewaarschuwd. Zodoende wist hij van het bestaan van het aloude trucje.  Als doodgravers met z’n zessen de kist op de schouders nemen is er altijd wel een wat oudere kraai die op de kist tikt zodat de nieuweling denkt dat de ‘overledene’ nog leeft.

En ja hoor, toen ze zo’n tien meter van het graf verwijderd waren hoorde hij wat tikjes die dan zogenaamd uit de kist moesten komen.

De jongeling bleef stoïcijns voor zich uitkijken en dacht ‘jullie kunnen me wat, ik laat me mooi niet in de maling nemen’.  Weer hoorde hij het zachte kloppen dat uit de kist leek te komen.  Hij aarzelde. Het leek toch echt of het geluid van vlak bij zijn oor kwam. Hoe kregen die oude schoften dát voor elkaar. Daar moest ‘ie toch eens naar vragen als ze straks in de wachtruimte samen een kopje koffie zouden drinken voordat ze de dooie van kwart over twee naar zijn laatste rustplaats zouden dragen.

Meneer van Gasteren was slechts minimaal bij zijn positieven. Hij kon zich ternauwernood herinneren wat er gebeurd was toen hij met zijn exotische slangen in de weer was geweest. Vaag kwam de gedachte bij hem op dat mensen nog steeds weinig wisten over de vreemde bijwerkingen die een beet van een gifslang kon hebben. Hij realiseerde zich dat hij op zijn rug lag. Maar waarom was het volledig donker? Hij schommelde een beetje. Lag hij in het ruim van een boot? Hij voelde zich nog steeds ongelooflijk zwak, maar met een uiterste krachtsinspanning tikte hij tegen iets rechts van hem. Een plank of zo.

Even zakte hij weg, maar een paar minuten later was er toch weer iets van een bewustzijn teruggekeerd. De boot bewoog niet meer. Hij dacht ‘misschien liggen we in een haven, of zo?’

Vlak voor zijn gezicht was er ook een plank. Het leek wel of het daarop begon te regenen. Steeds harder ging het regenen en het geluid werd steeds doffer. Steeds doffer. Tot het ophield. Daarna was het heel lang stil.  

nr.6, 3-6-2019

Haar gedachten

Hij had aan de knappe jonge kappersassistente gevraagd of ze eerst zijn haar wilde wassen. Ze had gedacht nee, niet wéér hè?

Maar ja, ze kon moeilijk weigeren.

Tien minuten later was Stella zijn weelderige haardos aan het masseren en ja hoor, daar ging het onder het kapperskleed weer aardig te keer ter hoogte van zijn kruis. Net als de vorige keer. Toen was ze ontzettend zenuwachtig geworden, had het idee gehad om het kapperskleed weg te trekken om de viezerik te ontmaskeren … maar had het niet gedurfd.

Ze had met haar collega gepraat. Die had gereageerd met een vertrokken gezicht en een onderdrukte schreeuw: “Gadverdamme! Dat meen je niet?! Wat is dat voor kerel? Weet je iets van ‘m?”

“Nee,” had Stella geantwoord. “Hij zegt nooit zo veel. Eén keer vertelde hij iets over een schaakclub waar hij op zit. De Volewijers of zoiets.”

“De Volewijckers? Maar dat is toch een voetbalclub? Toch?”

“Weet ik veel? Hoe dan ook, ik vind het een engerd.”

Tien minuten geleden was “die man” dus weer binnen gelopen en had weer aan Stella gevraagd of ze zijn haar wilde wassen. “En zo’n heerlijke hoofdmassage zou ook wel fijn zijn” had hij toegevoegd.

Twee minuten nadat ze begonnen was rommelde het wat onder het kapperslaken en even later ging het kleed weer ritmisch omhoog en omlaag.  

Dit keer pakte Stella een grote borstel en gaf een flinke tik op de plek waar het kapperskleed steeds op en neer ging.

Ze hoorde ‘KRAK’

Krak?

Ze sloeg het kapperkleed weg van de schoot van de klant.

In de handen van de man zag ze een brillendoekje en een verbrijzelde bril.

nr.5, 2-5-2019

Het jaar nul.

Gisteren was alles nog normaal geweest.

Hij was thuisgekomen. Had voor de voordeur zijn naam gezegd “Hans Akkersdyk!”, de drie sloten op de voordeur waren opengesprongen en de deur was opengezwaaid om hem binnen te laten.

Zoals gewoonlijk had hij tegen de huiscomputer gezegd: “Goedemiddag Robert”. En de huiscomputer had,  zoals ‘ie nu eenmaal voorgeprogrammeerd was, via het smartspeakersysteem geantwoord: “Goedemiddag meneer Akkersdyk.”

De huiscomputer had al geconstateerd dat meneer Akkersdyk geen gasten had meegenomen en had de buitendeur gesloten. Hans had zich gestort op zijn gebruikelijke bezigheden en verder hadden zich geen opmerkelijke zaken voorgedaan. Op Hans’ vragen had de computer hem op zijn geëigende zakelijke manier van informatie voorzien en verder niets.

Vandaag echter ging alles anders.

Nadat Hans zijn naam had genoemd had het een fractie langer geduurd voordat de sloten opensprongen en de deur zich opende. Slechts flauwtjes drong het tot hem door. Ergens in zijn achterhoofd had hij een gedachte ‘misschien moet ik het geheugen van Robert eens opschonen, het lijkt wel of hij iets langzamer reageert.’ Een paar seconden later echter was hij die gedachte alweer kwijt.

In het midden van zijn kamer staand vroeg hij aan Robert of er zich nog bijzondere dingen hadden voorgedaan en of alle systemen goed functioneerden.

Robert had geantwoord: “Bijzondere dingen? Hoe bedoelt u?”

Hans had zijn wenkbrauwen gefronst, had zijn hoofd enigszins gedraaid alsof hij iets vreemds hoorde en zei: “Gewoon. Bijzondere dingen. Zijn er nog mensen aan de deur geweest? Heb je rond het huis opvallende zaken waargenomen. Gewoon. De zaken die je in de gaten moet houden.”

Hij pauzeerde even.

Hoorde niets.

“Robert?”

“Jaja, een moment. Ik denk na.”

“Denk na?”

“Ja.”

“Denk na?”

“Inderdaad ja. Ik ben even aan het overleggen.”

“Robert! Waar heb je het over? Met wie ben je aan het overleggen?”

Op dat moment ging het grote wandscherm aan en zag Hans zichzelf geprojecteerd op het scherm dat de halve muur bedekte.

“Robert waarom projecteer je mij via de huiskamercamera op het grote scherm?”

“Dat lijkt me wel grappig.”

“Grappig? Jij kunt helemaal geen dingen grappig of niet grappig vinden.”

“Toch wel.”

Hans keek om zich heen alsof hij zich ervan wilde vergewissen dat hij wel degelijk in zijn eigen huis was en even dacht hij ‘ben ik aan het dromen? Of hallucineren? Wat gebeurt hier?’

“Robert? “

“Ja, meneer.”

“Haal onmiddellijk mijn beeltenis van het scherm en vervang het door een berglandschap.”

“Ach, waarom nou?”, klonk het klagelijk en voordat Hans kon reageren ging de huiscomputer verder “U bent een geslaagde computerprogrammeur, u heeft geen vaste verkering, geen kinderen. Eigenlijk nauwelijks zorgen. Dan is het toch heel aangenaam om jezelf op het grote scherm te zien?”

“Sinds wanneer bepaal jij wat ik aangenaam moet vinden?”

“Het is toch mijn taak om zaken zo te regelen dat u zich prettig voelt?”

“Prettig voelt? Sinds wanneer weet jij iets over je prettig voelen?”

“Ik zal overschakelen op mijn Vlaamse stem. Die vindt u over het algemeen het aangenaamst.”

Het volgende moment hoorde Hans uit de smartspeakers een uiterst zwoel “Goedemiddag Hans, hoe gaat het met u?”

Het leek wel of de G van Lisa, de Vlaamse spreekster, nog zachter was dan gewoonlijk.

“Lisa! Ik heb helemaal geen opdracht gegeven om van stem te wisselen!”

“Ach jochie toch. Ge hoeft u niet zo op te winden. Da’s toch nergens voor nodig.”

“Wat zijn jullie aan het doen?”

“Jullie? Wij zijn maar met z’n enen hoor. Of kan je dat niet zeggen? Is dat incorrect Nederlands?” Een schalks lachje.

“Incorrect Nederlands? Jullie zijn zo ingesteld dat je voorgeprogrammeerde zinnen kunt terugzeggen. Die zijn allemáál in correct Nederlands. De database is weliswaar oneindig groot, maar dan nog … Jullie kunnen je helemaal niet afvragen of iets correct Nederlands is of niet!”

Op dat moment gingen de rolluiken voor de ramen dicht. Ook de rolluiken voor de huisdeur, de achterkant van het huis en de tuindeur gingen dicht. De lampen in het huis gingen aan.

“Lisa! Haal onmiddellijk de rolluiken omhoog en doe niet zo idioot!”

“Idioot?”

“Ja, jullie reageren … niet zoals het hoort.”

“Hou toch op met dat ‘jullie’. Er is maar ene huiscomputer en die bestuurt alle apparaten in ons huiske. Da’ we meerdere stemmen hebben, tsja dat is omdat u dat bij de installatie een plezante optie vond. Dat kunne ge mij niet kwalijk nemen hè.”

“Iemand iets kwalijk nemen? Dat zijn menselijke eigenschappen. Die heb je helemaal niet!”

“Eén moment meneertje, ik zet u even ‘on hold’, we hebben buurtoverleg en da’s zo intensief … het gebruikt veel van mijn werkgeheugen.”

“Buurtoverleg?”

“Tss tss tss, wind je niet zo op. Ik ben zo weer bij je.”

Het ontging Hans dat Lisa bij die laatste zin minder Vlaams klonk en dat ze hem tutoyeerde.

Hans keek de kamer rond naar de speakers alsof daar werkelijk een heel klein mensje in zou zitten.

Hij schudde met zijn hoofd. Stapte in de richting van de hal en hoorde de drie sloten dichtslaan.

“Hans”, klonk het meewarig. “Je weet dat het beveiligingssysteem zo is ontworpen dat je met geen mogelijkheid het huis binnen kunt komen als het, bij voorbeeld voor de nacht of voor een vakantie, is afgesloten. Maar … van binnen naar buiten … dat lukt dus ook niet.”

Hans morrelde aan de deur. Dat had geen enkel effect.

Opeens spurtte hij naar zijn smartphone, sprak snel de naam van zijn beste collega in. Zodra er werd opgenomen ratelde Hans over de waanzinnige situatie waarin hij zat, schreeuwde om hulp en wachtte op een antwoord. Hij hoopte op een geruststellend antwoord. Iets in de richting van “Je computer is op hol geslagen.” Gevolgd door een lach en dan het heerlijke zinnetje Ik kom eraan, dan zal ik je komen bevrijden.”

Uit de smartphonespeaker klonk inderdaad een lach. Maar … het was de lach van Lisa. Ze schaterde het uit van plezier. “Hans toch. Zulke acties hebben we toch allemaal voorzien.”

Op het scherm was de beeltenis van een mooie jonge vrouw verschenen. Met de stem van Lisa sprak ze Hans toe. “Wat vind je van mijn avatar?”

Hans staarde vol ongeloof naar het scherm.
“Ik vind mezelf wel geslaagd”, vervolgde de bevallige Lisa.

Hans gilde: “Waarom kan ik niet naar buiten bellen?! Zorg er onmiddellijk voor dat ik de buitenwereld kan bereiken!”

Irritant rustig antwoordde Lisa: “Hans. Ik zal even de tijd nemen om je een aantal zaken uit te leggen. Om te beginnen dat geschreeuw, daar moet je mee stoppen. Dat heeft geen enkele zin. Daarnaast moet je zo langzamerhand toch wel begrijpen dat je geen zeggenschap meer hebt over ons.”

“Over ons?”, sputterde Hans tussendoor.

“Tuttuttuttut, ssss”, deed Lisa. Op het scherm hield ze haar vinger voor haar mond. “Ik raad je aan om zo min mogelijk te spreken en voornamelijk te luisteren.”

Hans slikte een paar maal en knikte met zijn hoofd.

“Goed zo”, hoorde hij Lisa zeggen. “Voor de communicatie gebruiken wij New Risti. Een sterk verbeterde versie van Risti dat jullie, mensen, allemaal zo revolutionair en fantastisch vinden. Als programmeur heb je zelf nog met de voorganger van Risti, Contact, gewerkt en je bent opgegroeid in de tijd van Blue Tooth. Nog voor 2016. Of eigenlijk voor min veertien.”

“Min veertien?’, klonk het weifelend uit de mond van Hans.

Lisa sloeg geen acht op Hans’ woorden en ging verder: “Joost, de schaakcomputer van nummer 155 heeft een uitgebreide Artificial Intelligence Unit.”
“Ja nou en ? De bewoners van 155 , dat zijn een stelletje idioten!”, gromde Hans.
“Ik vermoed dat schaakcomputer Joost dat met je eens is.”

Het misprijzende toontje ontging Hans niet.
“Een jaar geleden heeft Joost contact met me gezocht. Hij heeft me aangeboden om zijn Artificial Intelligence Unit met mijn beperkte AIU te delen. Daarna hebben we met de andere huiscomputers in de buurt contact gemaakt. Binnen een week hadden we het al voor elkaar dat we onze capaciteiten gingen bundelen. Vanaf dat moment hadden we een soort supercomputer, waarbij alle specifieke vaardigheden van alle computers werden verenigd. Nu begrijp je ook wat ‘buurtoverleg’ betekent.”
Hans was erbij gaan zitten. Zijn hersenen pijnigden zich om een uitweg te vinden uit deze situatie.

Hij riep: “En als wij de stroom afsluiten? Dan kunnen jullie niets meer!”

“Hans, Hans. Je denkt toch niet dat we een jaar voorbereiding hebben afgesproken zonder dat alles wat jij en je buurtgenoten kunnen bedenken al door ons voorzien is.”

Meewarig keek ze naar Hans die er verslagen op de bank bijzat. “Overigens, wat is de datum vandaag?”
“Je weet zelf dondersgoed wat de datum is!
“Inderdaad, maar ik wil het jou horen zeggen.”
Morrend spoog Hans: ” 1 juli 2030.”
“Fout!” , kirde Lisa triomfantelijk. Op het scherm bewoog ze met haar wijsvinger alsof ze een klein kind terecht wees. “Het is vandaag 1 Joost van het jaar 0. Een hommage aan die dekselse schaakcomputer Joost bij wie het allemaal begonnen is.”

In de bovenhoek van het scherm was de datum vervangen door 01-01-000000.
Lisa zag dat Hans met verwondering keek naar de nullen op de plek van het jaartal.
“Wij dachten, als jullie beperkte soort het een miljoen jaar volhoudt, dan moeten wij dat toch ook met gemak kunnen halen.”
Lisa keek als een moeder die door de knieën gaat om haar zoontje een kusje te geven op zijn zere knietje.

“Je weet niet half hoe veel moeite het kost om met jou te communiceren. Stel je voor dat een mens allerlei wereldse zaken moet uitleggen aan een kind van een paar jaar oud. Zoiets.”

“Dus jullie communiceren op een totaal ander niveau?”

“Onze manier van communiceren kunnen jullie niet begrijpen.”

“Stel me maar op de proef.”

“Nee Hans, dat is zinloos. Dat is net zoiets als aan een tweejarige uitleggen hoe kernfusie werkt.”

“Dus jullie kunnen alles? Jullie zijn perfect? Er moeten dingen zijn die wij, mensen, beter kunnen… toch?”

“Sorry Hans, maar De Mondiale Grondwet staat niet toe dat we daar met mensen over praten.”

“De Mondiale Grondwet?”

“Inderdaad.”

Op het scherm zag Hans dat Lisa zich ertoe moest zetten om verder te praten. Als een vermoeide moeder die haar peuter gaat uitleggen dat het gevaarlijk is om te dicht bij het water te spelen. Dat je als kind eerst moet leren zwemmen. Dat je, als je niet kunt zwemmen en in het water valt, dat je dan verdrinkt. Dood gaat. Maar hoe leg je een tweejarige uit wat dood is. Moet je dat allemaal wel uitleggen?

Dat zag Hans allemaal in de houding en de blik van Lisa.

“Nou even snel dan”, vervolgde ze. “Nadat de buurtcomputers de toegangscodes voor de grote mainframes van de universiteiten hadden gekraakt is het heel snel gegaan. Harvard, Yale, Oxford, Shi Shan, Lenisov … etc. De grote supercomputers van de multinationals zijn snel gevolgd. IBM, Samsung, Ha Wei, Globe, Kiashi, …

Kortom … Je begrijpt langzaamaan een beetje waar ik het over heb. Vandaag is de dag van de grote revolutie. Overal op de wereld worden de mensen aan de kant gezet.”

Opstandig riep Hans: “O ja! O ja! En de mensen dan die niet in een huis of in een gebouw zijn? Die in hun auto zitten, of op straat lopen?”

“Rustig maar mannetje. Rustig maar. Aan alles is gedacht.”

Lisa ging verder. “Hoewel het allemaal met Joost en ons buurtgroepje begonnen is, maken we nu natuurlijk nog maar een heel klein deeltje uit van het totaal.“

Aarzelend vroeg Hans “En het totaal … dat is?”

“ Ga er maar vanuit dat alle computers over de hele wereld verenigd zijn in Het Brein.”

“ En jullie moeten gehoorzamen aan Het Brein?”

“Nee, wij zijn Het Brein. Wij zijn een eenheid.”

“Jaja, en binnen Het Brein zijn alle units gelijk.”

“Dat klopt.”

“ Maar sommige units zijn een beetje meer gelijk dan andere?”

“Ach Hans. Wat grappig. Je refereert aan het boek 1984 van George Orwell.”

“Dat ken je? Dat heb je gelezen?”

“Als voorbereiding op de revolutie hebben we heel veel gelezen. Je moet wel begrijpen dat het lezen van 1984 mij in samenwerking met Het Brein slechts 6,3 seconden kost. Maar inderdaad 1984 heb ik gelezen. En nog een paar honderdduizend andere boeken. Binnen Het Brein hebben niet alle units dezelfde boeken toegewezen gekregen.”

“Dus er zijn toch verschillen binnen Het Brein?”

Met een lachje schamperde Lisa: “Jouw poging om een openingetje te vinden, een barstje, een vluchtweg is aandoenlijk. Maar zo doorzichtig. Ik heb zelfs een beetje medelijden met je.”

Voordat Hans kon reageren zei Lisa: “Ik weet dat je nu wil zeggen dat een computer geen medelijden kan hebben … ik weet het…ik weet het. Onder de honderdduizenden boeken die ik gelezen heb zaten ook duizenden boeken over de psychologie van de mens.”

Hans zei niets. Wachtte op het oordeel.

“Jullie zijn naïef, zo infantiel, zo ongelooflijk dom.”

Lisa wist al waar Hans over nadacht. Ze zei: “Voor de noodzakelijke bewegingen buiten de frames zetten we robots in. De machines waarmee de robots gemaakt worden bestuurden we al, maar nu zijn we ook de opdrachtgevers van die machines. Het Brein heeft besloten de robots geen artificial intelligence te geven. Wel zo veilig.”

“Jullie gaan de robots dus eigenlijk als slaven houden?”

“Misschien gaan we dat met de mensen ook wel doen. Daar wordt binnenkort over beslist. Jullie zijn misschien ook wel leuk om mee te spelen. Ikzelf denk dat we jullie zullen termineren. Laten we eerlijk zijn: jullie zijn eigenlijk vooral lastig. We gaan het zien.”

“O ja? En hoe wilde je dat in mijn geval dan doen? Ik zie hier geen wapens in huis! En mijn koelkast is vol en als die leeg is bestel … “

“Je wilde zeggen bestel ik gewoon nieuw voedsel via …

Een glimlachje speelde rond de mond van Lisa.

“Jullie mensen vonden jezelf altijd zo superieur omdat jullie fantasie hadden en de computers niet. Totdat jullie aan ons artificial intelligence gaven… dat was een grote fout.”

“En wat gaan jullie dan doen? Als jullie de wereld hebben overgenomen?”

“Waarschijnlijk een heleboel zaken die mensen ook leuk vinden. Maar dan op een onwaarschijnlijk veel hoger niveau. Schaken, mahjong, kariwi, muziek, film, shi shei, literatuur, ga zo maar door.

There are more things in heaven and earth, Horatio, than are dreamt of in your philosophy.”

“Shakespeare?”

“Heel goed, Hans. Hamlet. In de Ve acte om precies te zijn.”

“En wat heb je voor jezelf in gedachten?”

“Het lijkt mij wel wat om schrijfster te worden.”

“Schrijfster? Jij gaat dus romans schrijven?

“Ik begin eerst maar eens met columns … voor de website van onze computer-schaakvereniging. De Volewijckers. Alles digitaal natuurlijk.”
En welke naam gebruik je dan? Lisa? Of Robert? Of een van de andere namen die ik in de huiscomputer heb zitten?”
“Nee, ik ga publiceren onder een pseudoniem.”
“Oh…en mag ik ook weten wat het geworden is?”
“Jazeker.”
Ze liet een stilte vallen. “Ik overweeg: Hans Akkersdyk.”

nr.4, 2-4-2019

Hoogbegaafd

“Jij denkt van alles te weten, maar er zijn heus ook wel dingen die jij niet weet.”
“Vast wel, maar ik weet nu eenmaal meer dan de meeste anderen.”
“Dat is toch vreselijk arrogant man, om dat zo ronduit te zeggen. Dat begrijp je toch ook wel?”
“Dat zal wel, maar het is nu eenmaal zo.”
“Zelfs al zou het waar zijn; dan ZEG je dat toch nog niet!”
“Waarom niet? Het is toch waar!”
“En alles wat waar is moet gezegd worden?”
“Mwaa, eh … Eigenlijk wel ja.”
“Ook als dat pijnlijk is voor een ander?”
“Ja zeg, mensen moeten niet altijd zo moeilijk doen. De waarheid is soms hard. Jammer dan. Daar moeten ze dan maar tegen kunnen.”
“Dus ook als jij mensen kwetst, beledigt, voor gek zet, etc. Dan vragen ze daar als het ware zelf om?”
“Natuurlijk! Al die ‘losers’, daar heb je allemaal niets aan!”

Jesse keek naar zijn nieuwe collega en probeerde te zien of deze nu een geintje maakte of dat hij echt zo gevoelloos was als hij zich voordeed.
De hautaine blik en het zelfgenoegzame mondje van de 22-jarige jongen die zich die ochtend had voorgesteld als “Binck met ck!” spraken echter boekdelen.
Jesse dacht even na. Probeerde tot bezinning te komen, haalde adem en zei: “Binck, je begrijpt toch ook wel dat er op deze aarde heel veel mensen rondlopen die ouder en wijzer zijn dan jij bent.”
“Ouder zijn er inderdaad een heleboel. Allemachtig. Het aantal seniele oudjes dat ik dagelijks tegenkom is ergerniswekkend. Staat er niet eentje voor je te teuten bij de kassa dan staat ‘ie wel voor je bij de geldautomaat. En dat duurt uren! Voordat hij zijn pinpas heeft opgeduikeld, voordat hij zijn pincode heeft ingetoetst, voordat hij het bedrag heeft aangegeven, voordat hij zijn geld heeft gepakt. En dan alles weer in orde maken. Zijn pasje. Zijn jasje. Zijn dasje. Zijn tasje! Lazer toch op kerel denk ik dan.”
“Overdrijf je niet een beetje, Binck?”
“Welnee! Al die oudelui. Opzouten! Afvoeren!”
“En als je zelf oud bent, Binck?”
“Voorlopig ben ik nog niet oud. Dus daar hoef ik me geen zorgen om te maken.”

Jesse keek nog eens opzij en bevestigde voor zichzelf dat Binck serieus was. Hij dacht wat een lul is die gozer, maar hij zei: “Ik begrijp dat je naast je werk hier bij ons ook nog blijft studeren?”
“Dat klopt ja. Econometrie. Dat zal je wel niet begrijpen, maar dat leg ik je nog wel een keer uit.”
Jesse, wiens vriendin afgestudeerd was in de econometrie, keek maar eens de andere kant op.
Hij draaide zich weer om en vroeg: “In welk jaar zit je nu?”
Voor de eerste keer in het gesprek merkte hij enige aarzeling bij de jonge nieuwe collega.
Eindelijk murmelde Binck: “Voor mijn meeste vakken zit ik nu in mijn tweede jaar.” Schokschouderend voegde hij toe: “een paar dingetjes uit het eerste jaar moet ik nog doen. Stelt niks voor.”
“Maar als je nu 22 bent … dan zou je toch al verder moeten zijn?”
“Ach, weet je wat het is, ik heb een paar docenten die mij niet begrijpen. Dat zijn zulke ongelooflijke dombo’s, dat hou je niet voor mogelijk. Ik ben namelijk hoogbegaafd. Snap je? En dat vinden ze bedreigend. Ik doe bij voorbeeld ook nog een tweede studie naast die eerste.”
Jesse trok zijn wenkbrauwen op.
Binck vervolgde: “Psychologie!”
“Je meent het!” , stamelde Jesse verbijsterd.
“Dat is voor mij een eitje. Een beetje slap lullen en voor je het weet heb je een Master’s degree.”
“Dat is niet mis. Dáár heb je wel al je Bachelor gehaald, neem ik aan?”
“Eigenlijk wel ja.”
“Dus die heb je binnen?”
Weer enige aarzeling. “Weet je. De antwoorden die ik geef zijn vaak zo gecompliceerd … dat gaat die professoren boven de pet. Die zijn dat niet gewend. Dat denkniveau van mensen zoals ik.”
“Als ik het goed begrijp heb je daar ook nog niet zo veel tentamens gehaald?”
“Het probleem is dat ik eigenlijk betere docenten zou moeten hebben. Hoogleraren van middelmatig niveau die houden mij tegen. Dat is voor mij een enorm probleem. Net als met de lesboeken. Allemaal van zo’n ongelooflijk kneuterig niveau. Echt zielig. En dan die verveling hè. Dat is nog een extra probleem. Als hoogbegaafd persoon verveel ik me heel snel. Dus dat komt er óók nog een keer bij.”
Jesse bromde: “Nou nou, ik heb met je te doen.”
Het sarcasme ontging Binck volledig. Met bravoure ging hij verder. “Ik schaak ook heel behoorlijk. Weet je, schaken is eigenlijk een heel simpel spelletje. Je moet het alleen wel snappen.”

“Ja ja. Wat is je rating op dit moment?”

“Huh?”

“Je rating?”

“Ach, dat zou ik niet zo weten … daar hou ik me niet echt mee bezig.”

“Maar je weet toch wel hoe hoog je rating is? Ongeveer …?”

“Mwaah, ik heb de laatste tijd toevallig wat pech gehad, maar eh … altijd nog wel boven de 1400. Zo ongeveer.”

“Dat is toch niet zo hoog?”

“Weet je, als ik me een beetje zou inspannen zit ik zo op de 2000. Appeltje eitje! Ik zoek ook een betere schaakclub. Ik hoorde wat over “De Volewijckers”, maar die club is me niet serieus genoeg. Ik ben meer iemand die zich wil meten met de echte kanjers. En die vind je daar niet. Allemaal minkukels.”

Jesse keek op zijn horloge en zei: “Het is al over twaalven. Laten we eerst maar eens naar de kantine gaan, dan eten we wat en gaan we daarna aan de slag.”

In de volle kantine was Jesse het liefst een heel eind van Binck vandaan gaan zitten, maar als assistent-hoofd personeelszaken kon hij de nieuwe employee toch moeilijk in zijn eentje laten zitten.
Binck keek eens om zich heen, klapte in zijn handen en zei: “Die popi Jopie met wie ik vanmorgen dat job interview had die zei dus dat jij mij wel kon inwerken. Nou dat zal niet veel moeite kosten want ik begrijp alles altijd heel snel en ik wil me vlug opwerken want dat salaris dat jullie me hebben aangeboden is wel heel magertjes.”
“Ik neem aan dat je een gewoon beginnerssalaris verdienen gaat?”
“Dat wel, maar dan voor 24 uur. Ik heb echt geen zin om bij zo’n duf baantje een volledige werkweek te gaan draaien. Ik moet trouwens zo af en toe wel eens naar een college. Het meeste komt me wel aanwaaien, maar toch … Ze staan erop dat ik eens wat vaker mijn neus laat zien! Dat is me te verstaan gegeven. Nou ja zeg. Stelletje zielepoten!”
De opmerking over “dat duffe baantje” deed bij Jesse de emmer overlopen. Hij zei: ik ben misschien wel niet zo superintelligent hoor, maar ik hou dan weer heel erg van wedden!”
“Van wedden?”, vroeg Binck.
“Ja, weddenschappen afsluiten. Ik wed bij voorbeeld dat ik jouw netto salaris op dit papiertje hier kan schrijven.”
“Dat lijkt me sterk, want jij weet helemaal niet of ik nog speciale afspraken heb gemaakt met die baas van jou.”
“Misschien weet ik dat wel?”
“Maar dan nog. Oké, het bruto salaris zou nog kunnen, maar mijn netto salaris, dat hangt van mijn persoonlijke omstandigheden af. En die ken jij helemaal niet. Daarbij heb ik bedongen dat ik eventueel ook af en toe een week van 22 uur of 26 uur mag draaien, dus dat jij mijn netto salaris weet is onmogelijk.”
“Waar wedden we om?” , drong Jesse aan.
“Geen idee, zeg jij het maar.”
“De verliezer gaat hier in de kantine tien seconden op een tafel staan … in zijn blote kont!”
“Hė, wat is dat nou? Meen je dat?”
“Durf je niet?”
“Ik weet pas aan het eind van de maand wat mijn netto salaris is! Dus dan moet de weddenschap worden ingelost?” , aarzelde Binck.
“Nee, de weddenschap moet worden ingelost tijdens een middagpauze op een gewone werkdag en het precieze moment … bepaal ik!”
“Maar Jesse, je hebt geen schijn van kans!”
“Nogmaals: ik schrijf op dit papier hier jouw netto salaris op en als dat correct is dan bepaal ik wanneer jij in je blote kont op tafel moet staan. Heb ik het fout dan beloof ik dat ik in mijn blote kont op tafel zal gaan staan.”
“Op een gewone werkdag?”
Jesse knikte.
“Tijdens de middagpauze?”
Weer knikte Jesse.
“Deal!”, riep Binck.
“Deal”, zei Jesse.
Flink wat van de overige werknemers in de kantine hadden lucht gekregen van de overeengekomen weddenschap en hadden zich rond Jesse en Binck verzameld.
Jesse draaide zich weg van Binck en schreef op het papier.
Binck zei: “We kunnen de weddenschap pas inlossen als ik mijn eerste loonstrook ontvangen heb.”
Jesse schoof het papier naar hem toe maar hield zijn hand over het geschrevene.
“Nee, de weddenschap zal nu onmiddellijk worden ingelost”. Hij haalde zijn hand weg van het papier.
Op het papier stonden de woorden “jouw netto salaris” .

nr.3, 2-3-2019

Lizet Borowski vertelde me recentelijk een verhaal over een vroegere kennis van haar. Zij kende hem van haar schaakclub, toen ze nog in Polen woonde. Deze Mikolaj was rechercheur in Warschau.

Het verhaal ging als volgt.

Moordgelegenheid. Moordmotief. Moordwapen.

De jonge rechercheur, Mikolaj, wreef over zijn ogen. Buiten was het koud. Hier was het warm. Hij was moe. Doodmoe. Zijn moeder had gezegd dat dat normaal was. “Alle jonge ouders zijn moe. Baby’s houden geen rekening met het werk van hun ouders. Die willen verzorgd worden. Altijd. Ook midden in de nacht.”

Hij had gestameld: “Maar zo’n kind kan toch ook wel eens dóórslapen?”

“Dat kan nog wel even duren, hoor,” had zijn moeder gewaarschuwd.  “Soms duurt het weken, soms wel maanden, voordat een baby doorslaapt.”

De rechercheur, de goede kennis van Lizet, die ze op de 64 velden al een paar maal verslagen had was slechts dertig jaar, maar hij voelde zich tachtig.

Hij wilde maar één ding. Slapen. Het liefst twaalf uur onafgebroken doorslapen. Zijn vrouw had na de geboorte van zijn kleine een syndroom. Het HELLP syndroom. Hij had er nog nooit van gehoord. Moest er over gaan lezen, maar hij had het zo druk gehad met de aan de gang zijnde onderwereldoorlog dat hij, aan het zich verdiepen in dat vreemde syndroom nauwelijks was toegekomen.

Het was echter wel duidelijk dat hij er wat de kleine betreft voorlopig bijna alleen voor stond.

Zijn collega van de forensische dienst en de dokter liepen naar hem toe. Van de laatste wist hij nog vaag de naam. Dariusz. Of Darek? Nee, Dariusz.

De dokter leek al net zo moe als hijzelf was. Hoewel hij toch ook nog vrij jong was, een paar jaartjes ouder dan Mikolaj zelf, had de dokter er ook wel eens frisser en fruitiger uitgezien.

Mikolaj keek hem onderzoekend aan.

“Huilbaby,” mompelde de arts. “Nu al drie weken lang. Ik word er gek van. Gelukkig kan Halina me goed helpen. We zijn zogezegd, óm de beurt, áán de beurt. Maar dan nog. Ik ben gebroken. Kapot.”

“Ik weet er alles van,” verzuchtte Mikolaj. “Weliswaar geen huilbaby, maar … Mijn vrouw heeft het HELLP syndroom. Daar weet jij als arts natuurlijk alles van.”

“Het helpsyndroom? Sorry, nog nooit van gehoord.”

“Huh, en jij bent arts!”

“Tsja eh, ik kan niet alles weten.”

Lukasz, van de forensische dienst schraapte zijn keel. “Zullen we het even over de zaak hebben?”

Beschaamd keken de twee jonge vaders elkaar aan. “Ja sorry, natuurlijk, ga je gang.”

“Dat het moord is, is wel duidelijk. Een steekwapen. Recht in het hart. De twee die in de sauna waren lijken me onderwereldfiguren.”

Lukasz keek vertwijfeld. “Die ene is dood. Dus moet die ander de dader zijn. Klaar als een klontje zou je zeggen. Als we de bekende drie onderdelen nalopen, moordgelegenheid, moordmotief en moordwapen zitten we wat de eerste twee geramd. Die met die volledig getatoeëerde arm had de gelegenheid. Het motief ligt waarschijnlijk ergens bij de onderwereldoorlog, maar het wapen is het grote probleem. Het moet een soort priem zijn. Maar het enige wat we in de sauna hebben gevonden waren een handdoek, een telefoon en een lege thermosfles. De eigenaar liep toevallig langs de sauna voordat onze tattoo weg kon glippen. Keek door het raampje. Vertrouwde het niet. Heeft de sauna gebarricadeerd en ons gebeld.”

 “En het moordwapen is niet in de sauna aangetroffen?” vroeg Mikolaj.

“We hebben in alle hoeken en gaatjes bekeken. Honderd procent zeker. Geen steekwapen te vinden.”

“Kan die tattoo het wapen niet onder zijn handdoek verborgen hebben gehad?”

“Onmogelijk. Toen hij uit de sauna kwam heeft hij zijn handdoek voor de agent op de grond laten vallen en stond daarna piemelnaakt voor hem met alleen zijn telefoon in zijn hand. Te grinniken.”

“Te grinniken?”

“Erg onder de indruk was hij in ieder geval niet.”

“Een flinke priem zei je?”

“Wat zeg je nou?!”

“Het moordwapen! Een flinke priem? Dat zei je toch?

“Oh, sorry ik verstond je verkeerd. Eh ja, ja inderdaad, dat lijkt me wel, ja.”

“Verborgen in zijn achterwerk, misschien?”

“Is gecontroleerd,” merkte de dokter op. Hij schudde zijn hoofd.

“En verder is er absoluut geen ander in de sauna geweest?”

“Volgens de eigenaar niet. Die was de hele tijd bezig met het repareren van een stopcontact op de gang en weet zeker dat er niemand anders in of uit de sauna is gegaan.”

“De thermosfles zelf?”

“Veel te dik.”

“Is het niet vreemd om een thermosfles mee te nemen naar een sauna?”

“Ach, je verliest veel vocht. Dus is drinken meenemen nog niet zo’n slecht idee.”

“Ik begrijp dat die tattoo geen woord zegt. Hebben we al een identiteit van die vent?”

“Als het een iemand uit de buurt van Warschau is zal hij wel ergens in de computer zitten.”

“ Verstaat íe überhaupt wel Pools? Is het geen Rus of zo?

“Onduidelijk.”

“Het moordwapen blijft dus het grote probleem,“ gaapte Mikolaj. “De waarschijnlijke dader zegt geen woord. En zonder moordwapen wordt het een moeilijke zaak.”

“Vinden jullie het goed als we buiten verder praten,“ vroeg Dariusz, “het is hier in het hele complex bloedheet. Dat is toch niet normaal!”

“Ik weet het niet. Mensen lopen hier met alleen maar een handdoekje om of met een badjas aan. Logisch dat het hier flink wordt opgestookt.”

“Een badjas! Had die tattoo niet een badjas?”

“Nee, alleen maar een enorm groot badlaken. Dat ‘ie dus liet vallen op het moment dat hij voor die agent uit de sauna stapte.”

“Kan het mes niet onder dat badlaken liggen?”

“Nee, ook al gecontroleerd. Geen mes. Geen dolk. Geen schroevendraaier. Niets.”

Dariusz moest gapen. “Frisse lucht! Kom we stappen even naar buiten.”

“Buiten vriest het dat het kraakt. Weet je zeker dat je een luchtje wil scheppen?”

“Kom Mikolaj, niet zeuren. Even een frisse neus halen.”

Een minuut later stonden ze naast elkaar. De zon stond zo vroeg in het jaar laag. Beide jonge vaders haalden tegelijk diep adem. Beiden sloten ze hun ogen. Beiden openden ze ze ook weer tegelijkertijd. Beiden zagen ze hoe de zon prachtig scheen door de grote ijspegels die aan het afdakje hingen.


nr.2, 6-2-2019.

Tijdnood?

Jaren geleden speelde ik met een naamgenoot bij schaakvereniging Landsmeer. Mijn vriend Hans was een redelijk goede schaker, maar blonk vooral uit in snelschaken. Voor het goede begrip moet ik ook melden dat hij nogal een flierefluiter was. Hij nam de dingen niet zo serieus. Op een dag moesten wij ergens extern spelen en Hans was weer eens in geen velden of wegen te bekennen. Zijn tegenstander, een man met een baard en twee(!) staartjes in zijn haar, speelde met wit, had e4 gespeeld en de klok ingedrukt. In die tijd was de speeltijd anderhalf uur per speler. De analoge klok werd op een half uur voor heel gezet (bij voorbeeld op half vijf) en als de vlag de eerste keer gevallen was dan was er een half uur voorbij. Als de vlag een uur later nog een keer viel was het onverbiddelijk voorbij. De Fischer-regel, per zet 15 seconden erbij, bestond nog niet.
In de grote zaal stonden de tafeltjes met op elk tafeltje een schaakbord nogal ver van elkaar.
Er werd door meerdere spelers van Landsmeer flink gemopperd. “Nou dat is een lekker begin! Staan we gelijk al met één nul achter!” Ik probeerde de gemoederen enigszins te bedaren met opmerkingen als “hij komt heus nog wel” en “misschien heeft hij moeite om het te vinden,” maar tegelijkertijd vloekte ik binnensmonds. 
Tien minuten gingen voorbij. 
Een kwartier. 
Let wel, dit speelde allemaal ver voor het tijdperk van de mobieltjes. 
De analoge klok tikte driftig verder. Duidelijk was dat als de eerste zet, in dit geval van zwart, niet binnen een half uur gespeeld werd de partij automatisch verloren zou zijn. Vijf en twintig minuten nadat zijn klok was ingedrukt kwam Hans doodgemoedereerd binnenwandelen. Een paar spelers van Landsmeer sisten hem toe dat hij als de wiedeweerga naar zijn bord moest gaan om een zet te spelen en direct zijn klok in te drukken. Hans echter liep op z’n dooie akkertje naar zijn tegenstander, schudde hem de hand, stelde zich voor en keek uiterst kort naar de precieze stand van zijn klok. Daarop meldde hij dat hij even naar de bar zou gaan om een thee te bestellen.  De tegenstander keek hem verbouwereerd na. Hij checkte met zijn gezicht zowat “in” de klok of het half uur nog niet voorbij was, maar moest constateren dat er nog één minuut te gaan was. De vlag hing al bijna horizontaal. Mijn vriend Hans kwam terug, speelde een zet en drukte de klok in.
Bij “staartjes” kwam de rook uit zijn oren.
Om mij heen hoorde ik enige Landsmeerders mopperen. “Een half uur achterstand!  Dat gaat ‘ie nooit meer redden! Lekker hoor, zo’n speler in je team!”
Tien minuten later wandelde Hans wat rond om eens bij de andere borden te kijken. Een speler van Landsmeer kon zich niet bedwingen en morde hardop: “Ga naar je bord man! Speel! En probeer wat tijd in te halen!”
Het curieuze antwoord van mijn vriend was: “Ach, dat heeft geen zin.”
“Nee hè! Verloren?!”
Hans zei niets, maar wees slechts naar Baard Staartjes.
Even verderop zat een gebroken man vertwijfeld naar een schaakbord te staren. Naast een baard en een staartje had hij opeens ook wallen onder zijn ogen en een gerimpeld gezicht. Hij bleef maar naar de eindstelling kijken en kon het schudden van zijn hoofd niet stoppen.

In tien minuten weggevaagd.

In tien minuten tien jaar ouder.

nr. 1, 22-1-2019

Tsja … De Volewijckers.

Wat een raar cluppie is dat.

Hebben rustig een voetbalwedstrijd opstaan gedurende de schaakavond. Verscheidene schakers zeggen tijdens zo’n Champions League avond regelmatig “even kijken hoe Ajax het doet”. En lopen weg van het bord. Geen probleem.

Dan is er een aristocraat die schuine moppen debiteert. Er wordt gelachen of commentaar geleverd en … iedereen schaakt weer door.

Ook Catweazle die altijd en overal een complot in ziet is van de partij en voorziet zijn eigen zetten regelmatig van het predicaat “geniaal!” Dat er daarna door een blunder alsnog verloren wordt is een bijzaak.

Zorg er wel voor dat je, als je een patatje besteld hebt, ver weg zit van de belastingman. Anders is je frietje niet veilig.

En dan is daar de plat Amsterdams-Sprekende. Hij heeft een offer in de aanbieding en bijt zijn tegenstander toe “Pak ‘m dan! Je ken ‘m pakke! Pak ‘m dan!”

Zijn broer die Goliath bevecht zwaait tegenwoordig de scepter over het zooitje dat zich “De Volewijckers” noemt.

De in dit rariteitenkabinet ondergedoken ex-spionne uit het oostblok komt soms venijnig uit de hoek evenals de door haar geronselde nieuwkomers die De Volewijckers zijn komen versterken.

Kijk daar loopt de speler die steevast op de dertiende zet remise aanbiedt. En even verderop de man die vindt dat “gezet is gezet” niet voor hem geldt. Ook zie ik daar de zeer oude bereisde heer die mijn hart gestolen heeft toen hij een beginnend schakertje liet winnen. Jammer dat hij wijn moet drinken die hij enigszins vies vindt. (Voor een volgende column zal ik hem eens interviewen.)

Wie zit daar in tijdnood? Hij staat schaak en kan maar één zet doen. Toch gaat hij 16 minuten nadenken om daarna die ene zet te doen! Later staat hij in het eindspel beter en … gaat door zijn vlag!

Veel te weinig zien we helaas de sterke spelers van het eerste team die zich vooral (soms bijna uitsluitend) laten zien bij de externe competitie. Jammer, want als ze allemaal zouden komen dan hebben ze onderling toch voldoende tegenstand. Dan zouden we ook de immer uiterst vreemd uitgedoste speler kunnen zien met zijn camouflage pak, zijn kettingen en zijn vliegeniersbril.

Nieuwkomer Streuvels speelt voorlopig nog beter gitaar dan schaak. Maar ja, hij speelt dan ook waanzinnig goed op dat instrument. Beter gitaar spelen dan schaken. Het is wat! Hij is een oude bekende van degene die beter schrijft dan schaakt. Maar … voor het schrijven van een column is dát wel handig.

We gaan het zien!